
° 1182 Tongeren
1194 – 1206 Sint-Truiden, benedictines
1206 – 1246 Aquiria: Awirs, Aywières, cisterciënzerin.

Lutgart met kruisbeeld
Houten beeld van een Lutgart,
staande met een kruisbeeld in de rechterhand, anoniem.
Staat in de kloostergang van de o.cist.abdij Wurmsbach Mariazell,
Bollingen,
Kanton Zürich, Zwitserland
Lutgart werd geboren in Tongeren in 1182. Haar vader was een poorter van de stad en moeder was van adellijke afkomst. De familienamen zijn onbekend.
ls twaalfjarige leerling van de kloosterschool der benedictinessen in Sint-Truiden, werd ze oblate in het Sint-Catharinaklooster in 1194. In 1198 trad ze in bij de benedictinessen, werd novice, sprak haar geloften uit (wellicht in 1201) en ontving de maagdenwijding. Vooral zieken en zwakken helpen was haar taak.
Volgens Thomas van Cantimpré in zijn Vita pia Lutgardis, Leven van de goede Lutgart , was het twaalfjarige verblijf bij de benedictinessen een “mystieke opgang tot uitverkorenen bruid van Cristus”. Pas 24 jaar oud was Lutgart reeds een uitzonderlijk mystieke begenadigde, een evenwichtige, sterke vrouw ook, een stralende persoonlijkheid bovendien. Haar medezusters kozen haar in 1205 tot priorin.
Lutgart was er voor zichzelf volledig van overtuigd dat daar haar roeping niet lag. Haar weg van liefde voor de Heer werd boete voor de zondaars in stilte en verborgenheid. Daarvoor zou ze alles verlaten: haar geliefde klooster, haar eigen land en volk dat ze liefhad. Eigenlijk wou ze naar de strengere Orde van Cîteaux in Herkenrode bij Hasselt, “waar Diets gesproken wordt”, maar haar geestelijke leidsman, Jan van Lirot, die Awirs had helpen stichten en er een zus had, wou Lutgart daarheen loodsen. Toen Lutgart inzag dat het Gods wil was, gaf ze toe en ging in 1206 naar Awirs (het Awira, Aquiria) aan de Maas, gelegen bij Horion-Hozémont en Gleixhe, het huidige Flémalle bij Luik.
Ze behoorde hier tot een groep “vrome vrouwen”, die omstreeks 1195 een gemeenschap vormden en die bij de Sint-Stefanuskerk woonde. In 1202 werd de stichting een benidictinessenklooster dat in 1206 de regel van de cisterciënzerinnen volgde. Ze trachtten door Cîteaux erkend te worden, wat rond 1209 moet gebeurd zijn. De gemeenschap leefde zeer arm. Door onlusten in de streek en onvruchtbaarheid van de akkergronden was de ontbering groot, zodat ze het aanbod van de Hertog van Brabant in 1212 aannamen om zich in Waals-Brabant te vestigen. Ze verhuisden naar de streek van Nijvel en bekwamen landerijen te Lenlot, of Aloux-Lillois, het huidige Lillois-Witterzée. In 1216 kregen ze betere landerijen in de Lasnevallei (een bijriviertje van de Dijle) te Aywières, in de huidige gemeente Lasne, op het grondgebied van Couture-Saint-Germain en Maransart, Lutgart heeft deze verplaatsingen van haar communauteit meegemaakt, beweren de meeste auteurs, zelfs reeds in de 19 e eeuw.
In een oorkonde van 30 oktober 1210 nam paus Innocentius III het klooster van Aywières, Onze-Lieve-Vrouw-van-Awiria, van de Orde van Cîteaux onder zijn speciale bescherming en werd in 1213 het klooster officieel erkend door de abt van Cîteaux als cisterciënzerinnenklooster, met recht op een abdis. Het klooster werd afhankelijk van de jurisdictie van de abt van Aulne.
Rond 1216 werd Lutgart door Maria, de moeder Gods, gevorderd om zeven jaar te vasten voor de bekering van de Albigenzen. In deze periode van vasten komt Sint-Lutgart in contact met Jordanus van Saksen, de opvolger van de Heilige Dominicus. Hij noemde haar “de moeder van de dominicaner orde”.
Een tweede zevenjarige vasten volgde kort na de eerste, toen de Heer in een Visioen haar vroeg voor de zondaars te bidden en te vasten. Een derde zevenjarige vastentijd is gesitueerd van 1239 tot 1246, “om het kwaad af te wenden dat door een van de grote vijanden van de Kerk, het Volk van God, wordt aangedaan”. Men denkt hier aan de Duitse Keizer Frederik II Barbarossa.
Door haar uitzonderlijke begenadiging heeft ze een weldoende invloed uitgeoefend op velen, die haar kwamen raadplegen en bezoeken, zowel theologisch geschoolde magisters en edelen als eenvoudige volksmensen, zowel kloosterlingen als leken. Onder hen waren de tweede generaal der dominicanen, de Zalige magister Jordanus van Saksen; de vermaarde predikant magister Jan van Lirot; de abt Simon van Foigny in Noord-Frankrijk van Duitse adellijke afkomst; de koningsdochter Marie de France, tweede vrouw van hertog Jan I van Brabant; de zoon van graaf van Gelder; de lekebroeder en zalige Simon van Aulne; de grootpenitencier van paus Innocentius III, de dominicaan Bernardus; haar biograaf Thomas van Cantimpré; haar levensvriendin de zalige Sybille van Gages en de eerbiedwaardige en edele Elisabeth van Wans.

Bij Lutgart heeft een mystieke bewustzijnsverruiming plaatsgevonden, een fijne ontvankelijkheid tot ontmoeting met alles wat tot het mystieke Lichaam van Christus behoort: heiligen uit de hemel, zielen uit het vagevuur, mensen op aarde, vooral mensen in nood.
We kunnen Lutgart bewonderen en God danken en opzien naar de heilige, de vertrouwelinge van het Heilig Hart, tot wie de Heer sprak: “ Aan allen die op u hopen en door u bemind worden zal Ik weldoen om uwentwille”.
Omwille van haar vasthoudendheid aan het Diets, aan taal en volk – iets wat tot op hoge leeftijd nawijsbaar is – kozen de Vlamingen haar als Patrones en Schutsvrouwe van Vlaanderen.