
Ruusbroec werd waarschijnlijk geboren in 1293 in Ruisbroek bij Brussel.
Op de leeftijd van elf jaar wordt hij opgenomen door een familielid, de priester Jan Hinckaert, verbonden aan het kapittel van Sint-Goedele. Hinckaert is de zoon van een Brusselse schepen en behoort tot een gezaghebbend geslacht. Van hem zou men thans zeggen dat hij minstens Ruusbroec’s mentor en beschermer was. Hij zorgde voor de opvoeding en scholing van de kleine Jan en schonk hem een rente.
In 1317 werd Ruusbroec priester gewijd. Hij deed ongeveer vijfentwintig jaar dienst in de Sint-Goedelekerk.
Samen met Jan Hinckaert en Vranck van Coudenberg, die als kanunnik ook verbonden was aan het kapittel van Sint-Goedele, verhuisde Jan Ruusbroec in 1343, op zijn vijftigste jaar, naar de stilte en de eenzaamheid van Groenendaal. Ze namen er hun intrek in een bestaande kluis, die de hertog van Brabant aan Vranck van Coudenberg had geschonken. Toen enkele anderen zich bij hen aansloten, groeide er daar, te Groenendaal, stilaan een gemeenschap die de regel van de H. Augustinus aannam en een klooster oprichtte, met aan het hoofd een proost en naast hem een prior, Ruusbroec. Handenarbeid en gebed vulden Ruusbroec's verdere leven, tot aan zijn dood op 2 december 1381.
En toch heeft de naam Ruusbroec - en door hem ook Groenendaal - een vermaardheid verworven die de grenzen van het Brabantse hertogdom en van de 14de eeuw ver overschreed. Die roem dankt hij aan de geestelijke tractaten die hij deels reeds te Brussel, deels te Groenendaal schreef.